Klooster van de Redemptoristinnen (Rode Nonnen) Katelijnestraat

Beschrijving
     

Gegevens uit de studie van de Dienst Monumentenzorg Brugge (2005)
( bijlage 1 en bijlage 2)

Kerk

Eénbeukige kerk, met voorgevel op de Katelijnestraat, onder zadeldak (leien) doorbroken door nokverlichtingen en dakruiter, gebouwd in 1845-1847.
Vroeg voorbeeld van de ‘gothic revival’, eerste helft 19de eeuw. ( zie bijlage a)

De kerkruimte ontvouwt zich als portaal met twee zijportalen, overwelfde ruimte onder het doksaal, doksaal en schip gevormd door zes ongelijke traveeën, door ribgewelven overkluisd, en rechthoekig smaller koor, geflankeerd door links sacristie en reliekkamer en rechts zusterkoor op de verdieping (op begane grond als zusterkoor ingericht na het concilie).(zie bijlage a1)

Het doksaal is ingericht als koor voor de zusters, visueel afgesloten van de middenbeuk door gietijzeren hekwerk gevat tussen zuilelementen, versierd met beeldhouwwerk van R. Duvivier. Het Scheyvenorgel is nog gaaf bewaard. (zie bijlage a2)
De merkwaardige en zeldzame neogotische kerkgevel werd in 1963-1966 deels gesloopt
(zie bijlage a3) en er werd een neobarok bakstenen gevel vóór gebouwd met stadssubsidie.
De neogotische gevel is nog bewaard en zelfs deels zichtbaar achter de nieuwe gevel.

Klooster

Bij de bouw van het klooster in 1845 werd hoogstwaarschijnlijk rekening gehouden met bestaande bebouwing aan de Katelijnestraat, die deels geïntegreerd werd in het kloostercomplex, en op vandaag nog afleesbaar is. (zie bijlage 2 en bijlage b1)
De oorspronkelijk bepleisterde lijstgevel van 10 traveeën met twee classicistische poorttraveeën aan beide uiteinden (gebouwd tussen 1830 en 1845), werd al in 1858 gewijzigd. Net een eeuw later, in 1958, werd het parement vernieuwd in metselwerk met gele baksteen, waardoor de oorspronkelijkheid enigszins is aangetast. In deze vleugel is aan de straatzijde, op de begane grond, o.a. een klein salon aanwezig met schouwelement en plafondrozet in classicistische stijl, eerste helft 19de eeuw, wellicht nog een restant van de aankleding van het huis van de vorige eigenaar Nollet.

Aansluitend en palend aan deze voorbouw, tevens palend aan de rechterzijde van de kerk, bevindt zich het eigenlijke kloostergebouw, (zie bijlage b) bestaande uit vier vleugels rond een vierzijdig pandhof, 3 bouwlagen hoog onder zadeldaken. Rood baksteenmetselwerk in sobere vormgeving, rondboog- of veelal segmentboogvormige deur- en vensteropeningen, met nog oorspronkelijk verzorgd schrijnwerk.
Het verschil in metselwerk doet vermoeden dat de derde bouwlaag (iets) later is gerealiseerd (aanvang 1845 voor benedenverdieping en eerste verdieping en 1846 of 1847 voor bovenste verdieping).

Rond het binnenhof (ca. 15 x 21 m) zijn op de begane grond de vier pandgangen strikt symmetrisch geschikt, aan de lange zijden 7 traveeën, aan de korte zijden 5 traveeën, met rondboogvormige venster- en deuropeningen. Iedere pandgang heeft in de middelste travee een toegang tot de binnentuin.
Het aantal traveeën aan korte en lange zijden zijn priemgetallen, die doen vermoeden dat hiermee een bepaalde harmonie is nagestreefd, want ook de verhouding van het binnenhof is 5/7.

De pandgangen zijn overwelfd met bepleisterde tongewelven, aan ieder venster of deur onderbroken door steekkappen, en aanzettend op klassiek lijstwerk.
De deuren naar de belendende ruimten en trappenhuizen benadrukken de symmetrische aanleg; deze in de as van de pandgangen en in het midden van de gangen, tegenover de deuren naar het binnenhof, zijn rijker aangekleed, met zwaardere omlijstingen en bekroond door beeldnissen. De overige deuren zijn eenvoudige paneeldeuren. Alle hout is afgewerkt in imitatiebeschildering in eik. De vloeren zijn in zwarte steen.

In de vleugel tegenover de kerk (zuidzijde) bevindt zich de refter, met haaks daarop de keuken en de eenlaagse dienstgebouwen.
De vleugel aan de oostzijde telt een aantal verblijfsruimten (o.a. recreatieruimte).
Vanuit de noordelijke pandgang is een bidruimte bereikbaar, palend aan het koor van de kerk (heringericht na het concilie). In deze bidruimte stond tegen de eindwand een houten bas-reliëf geplaatst van L. Kockorols (in de 19de eeuw provinciaal van de Redemptoristen) met uitbeelding van Christus op de Olijfberg. De aankleding van de sacristie, met de kamerhoge wandkasten, is nog oorspronkelijk.

In de hoek van de noordelijke en westelijke pandgang bevindt zich de houten draaitrap naar het doksaal van de kerk, waar de zusters de erediensten bijwoonden. In de andere hoek leidt een trap naar de cellen en werkruimten op de verdieping.

Op de verdiepingen bevinden zich telkens schaars verlichte middengangen met houten plankenvloeren, met de cellen, de werkruimten, de bibliotheek en de bidruimte die uitgeeft op het koor van de kerk. Deze bidruimte is door de neogotische aankleding, altaren en beeldengroepen merkwaardig.

Boven de sacristie bevinden zich enkele ruimten waar de relieken en devotie voorwerpen werden bewaard en waar de zusters konden biechten (merkwaardige constructie, waarbij de biechtvader via een trapje vanuit het koor naar boven kwam, biecht hoorde, maar geen visueel contact had met de biechtelingen). Op een van de gangen hangt de klok om de zusters te wekken (door Severinus Vanaerschodt, Leuven, 1887). Ook reeks ronde mechanische klokken (Kreitz, Antwerpen, midden 19de eeuw).

De zolders zijn nog oorspronkelijk, met de reeksen spanten en, merkwaardig, een katrolsysteem en een goederenlift om de was te hijsen (gesitueerd in de dwarsvleugel boven de keuken). 

 Kloostertuin met kapellen en andere religieuze relicten

De grote tuin is verdeeld door een scheidingsmuur (komt overeen met de perceelsscheiding ca. 1830, wellicht werd het zuidoostelijk deel later aangekocht en aan het kloosterdomein toegevoegd).
Het tweede deel werd, volgens de zusters, vooral als moestuin gebruikt (reeds op plan Popp, 1865 in kweekperken verdeeld, nu niet meer in cultuur, gewone grasperken).

Het eerste deel had vooral een meditatieve en recreatieve functie, door de aanwezigheid van de kapellen, maar ook in het tweede deel wordt men tot meditatie en gebed aangespoord. De aanleg van deze slottuin zou nog volgens V. Braeckman teruggaan tot de stichtingsjaren (met nog drie paardenkastanjes). Op het Plan Popp 1865 is een landschapstuin getekend met kronkelende paden.
De rijen fruitbomen laagstammige perenboompjes, appelaars en kerselaars, zijn zowel mooi als nuttig.

De kapellen of beeldengroepen zijn voor deze kloostertuin zeer karakteristiek, zeldzaam en nog oorspronkelijk (wellicht ook van kort na 1845 of toch zeker tweede helft 19de eeuw). Volgens V. Braeckman werden ze gebouwd op verschillende tijdstippen met de erfenissen van zusters die bij testament een kapel hadden gevraagd.
Ze zijn neogotische en religieuze interpretaties van de meer wereldlijke lusthuisjes en folies in 18de-eeuwse landschapstuinen:
- bakstenen vrijstaande kapel van Sint-Alfonsus, centraal tegenover de oostelijke vleugel,
- neogotische hoekkapel O.L.Vrouw van Altijddurende Bijstand, in de noordelijke hoek van de tuin,
- neogotische kapel toegewijd aan H. Hart, zou het oudste zijn, opgevat als prieel, met ijzeren trappenbordes,
- een latere Lourdesgrot in de hoek van deze tuin aan de Visspaanstraat, waarnaast zich een tuinhuis en een serre bevindt, gebouwd tegen een restant van een oud pandje met inwendig moer- en kinderbalken waarvan de binnengevel doorbroken is door twee neogotische spitsboogramen en een deurtje,
- in de tweede tuin tegen de straatgevel van de Katelijnestraat: kapel toegewijd aan H. Jozef,
- in de uiterste zuidoostelijke hoek van deze tuin een Calvarie, begroeid met esdoorns, met in nissen van de tuinmuren bas-reliëfs die de zeven smarten van Maria uitbeelden.

Woningen aan Katelijnestraat 107-109-111-113

De woningen 107 en 109 ondanks het recentere uitzicht van de gevels,  bevatten historische elementen bevatten die teruggaan tot de einde 18de eeuw.  Behoud is dan ook vooropgesteld.

Van de woningen 111 en 113 is de intrinsieke kunsthistorische waarde eerder beperkt. In hoofdzaak 19de-eeuwse en vroeg-20ste-eeuwse bebouwing zonder veel intrinsiek waardevolle constructies of interieurelementen.  De straatgevels van de woningen, waarvan het merendeel in de loop van de 20ste eeuw verbouwd werd, worden stadslandschappelijk passend ervaren.

Blinde gevel aan Katelijnestraat

Aan de Katelijnestraat, in de tweede tuin (vroegere moestuin, nu hoofdzakelijk siertuin) bevindt zich een gebouw van twee bouwlagen onder schilddak, aan de straatzijde met blindvensters afgewerkt en geflankeerd door bakstenen tuinmuren met paneelwerk, vermoedelijk tweede kwart van de 19de eeuw. De gevel met aanpalende muren spelen een dominante rol in het stadslandschap van de Katelijnestraat.

Serre en tuinberging

Van de tuinberging tegenaan de buitenmuur met de Visspaanstraat is een deeltje een restant van een oudere constructie (17de-eeuws) die in de 19de eeuw een nieuwe binnengevel kreeg met neogotische raamopeningen.  De serre is tegen deze gevel aangebouwd. De resterende tuinbergingen zijn 19de-eeuws.

Kloostermuren

De kloostertuin is aan de aanpalende straten, zowel de Katelijnestraat als de Visspaanstraat, als met de aanpalende buren (Novotel, vroeger klooster van de Broeders van Liefde, en de eenlaagshuizen Visspaanstraat en Pietje Pek aan de Katelijnestraat) begrensd door hoge bakstenen muren (verzorgd geel baksteenparement, aan de straatzijden in vakken op hoge plint en met kroonlijst), die zowel in het straatbeeld als vanuit de tuinen de beslotenheid van dit kloosterdomein zeer sterk beklemtonen.