H. Macharius in de Oostmeers

In de Oostmeers op de scheiding tussen de gevels van huis nr 47 en 49 bevindt zich een nis met een beeld van de heilige Macharius. Wie is Macharius en waarom is zijn beeld daar geplaatst

1 Situering

 

Het is eigenaardig dat het beeld van de H.Macharius in een nis in de muur tussen 2 gevels is geplaatst. Op de percelenkaart hiernaast is de nis aangeduid tussen nr 47 en nr 49 van de Oostmeers , links op het kaartje hiernaast.

 

Wie is Macharius

 

 

Over Macharius is een excellent boekje verschenen (1990) van Jean Luc Meulemeester, waar we graag naar toe verwijzen.

 

Macharius (ook wel Macarius ) werd in het Midden Oosten geboren in de tiende eeuw. Er is weinig over zijn leven geweten. Hij ging rond al goeddoende en deelde zijn bezittingen uit aan de armen en genas de zieken. Zoals alle heiligen deed hij natuurlijk ook mirakels. Volgens de legende was hij eens gevangen genomen door de muzelmannen, die hem martelden. Hij werd aan de grond genageld met 3 nagels zoals Christus aan het kruis met drie nagels, maar als bij wonder kon hij met behulp van God zichzelf bevrijden. Vandaar dat hij meestal wordt afgebeeld met een steen in de hand waarin 3 nagels zijn geslagen.

Macharius werd patriarch in Antiochië maar hij voelde meer voor het missiewerk. Hij trok al goed doende door Midden Europa en naar onze streken om rond het jaar 1000 in Gent toe te komen. Hij werd in de Sint-Baafsabdij door de abt Eremboldus ontvangen. In die tijd brak in Vlaanderen en vooral in Gent de pest uit. Macharius spande zich uitermate in voor het verzorgen en begraven van de zieken tot hij in 1012 zelf bezweek aan de ziekte. Zoals hijzelf voorspeld had stopt de pestepidemie door zijn offerdood. Hij werd in de Sint-Baafsabdij begraven waar zijn graf een bedevaartsoord werd om hulp af te smeken tegen de pest.

In 1067 werd zijn graf geopend in de aanwezigheid van heel wat edelen en bisschoppen van Vlaanderen en Frankrijk (Vlaanderen viel toen onder het Bisdom Doornik-Noyon) om hem te herbegraven onder het altaar in de Sint-Baafskerk (een elevatio d.i. een verheffing). Er ontstond een uitgebreide volksdevotie, waarvan Gent het middelpunt vormde. Er werden natuurlijk ook heel wat relikwieën van de heilige verspreid. Dit alles legde de Sint-Baafsabdij geen windeieren.

 

Zoals bij vele heiligen wordt ook aan Macharius een aantal attributen toegewezen waardoor zijn afbeelding gemakkelijk door het volk herkend kan worden.

Op het houten beeld uit de Oostmeers hiernaast draagt hij het bisschoppelijk ornaat. Soms wordt hij ook afgebeeld met het patriarchale kruis (d.i. een kruis met 2 dwarsbalken), een verwijzing naar zijn patriarchaat in Antiochië. In zijn linker hand draagt hij een hart met 3 nagels, wat verwijst naar zijn martelaarschap en naar het lijden van Christus. (soms houdt hij in plaats van een hart ook een steen met drie nagels in zijn hand)

Zijn feestdag wordt meestal gevierd op 10 april.

 

 

In de Sint-Baafskerk te Gent was een H. Machariuskapel ingericht met heel wat versieringen, voorwerpen en schilderijen die betrekking hebben op de H.Macharius.

Hiernaast een schilderij die oorspronkelijk op het altaar van de kapel stond. Het is een schilderij van Gaspar de Crayer. Het stelt Macharius voor als de patroonheilige van de pestlijders. Een vlam treft zijn borst , wat symbool staat voor de besmetting.

 

 

Gaspar de Crayer (1584-1669) werd geboren in Antwerpen. Hij is een navolger van Rubens en schilderde voornamelijk religieuze voorstellingen en altaarstukken ten behoeve van de contrareformatie. Hij was ook bekend voor het schilderen van de portretten van heel wat hoogwaardigheidsbekleders van Spanje en de Zuidelijke Nederlanden. Hij schilderde voornamelijk in Brussel, waar hij deken werd van gilde der schilders.

Behalve in Gent wordt de H.Macharius ook vereerd in verschillende andere steden onder andere in Laarne, Mons, Obourg, Dendermonde, Moorslede, Oostende... , en ook in Brugge.

Macharius verering in Brugge

In 1642 bekwam de Brugse bisschop Nicolaas de Haudion van de Gentse bisschop Antoon Triest een relikwie van de H.Macharius. Hij schonk die aan de Sint-Donaaskathedraal. Dat was het begin van een intense devotie met missen, processies,... Dat hoefde ook niet te verwonderen want in die tijd was in Europa de pest overal aanwezig. De mensen hadden behoefte aan steun en hoop in die barre tijden en vonden die in de figuur van de H. Macharius. Hij had al zoveel genezingen bewerkstelligd.

Tijdens de Franse bezetting werd de Sint-Donaaskathedraal in Brugge afgebroken en daarmee werden de relikwieën van Sint-Macharius overgebracht naar de Sint-Salvatorkathedraal. Daar worden ze bewaard achter het hoofdaltaar.

 

Het kistje met enkele relikwieën van de H. Macharius.

Hiernaast is een osculatorium (een kusrelikwiehouder) met een relikwie van de heilige. Onderaan zien we het attribuut van het hart met de 3 nagels.

De beide relikwiehouders werden verzegeld door bisschop Faict (1864-1894)

(foto's uit het bovenvermeld boekje van Jean-Luc Meulemeester)

 

Aan de hand van het schilderij uit 1673 en afkomstig uit Brugge geschilderd door Jacob Van Oost de Jongere, (°Brugge (1639- +Brugge 1713) kunnen we afleiden dat in die tijd de H.Macharius al een blijvende plaats had in de Brugse devotie. Het schilderij stelt de H.Macharius voor die de communie uitdeelt aan de pestlijders. Het schilderij wordt nu bewaard in het Louvre)

(Jean-Luc Meiulemeester heeft over dit schilderij en de achtergrond evan uitgewijd in zijn boekje over Macharius. Hij heeft over de vader en familie Van Oost in de zeventiende eeuw ook een gewaardeerd boek geschreven (1984). Het is jammer dat de Brugse schilders van die tijd nog onvoldoende aandacht krijgen in Brugge..

Jean-Luc Meulemeester is licentiaat 'kunstgeschiedenis en oudheidkunde' en licentiaat 'pers- en communicatiewetenschappen'.

Zijn licentiethesis geschiedenis handelde over Jacob Van Oost de Oudere (1603-1671).

Hij realiseerde de tentoonstelling " De H.Macarius en Brugge" in de KBC bank langs de Steenstraat in 1990, gekoppeld aan de publicatie van het boekje over deze heilige.

(Een uitgebreide levensloop van Jean-Luc Meulemeester is te vinden op het internet)

Na de 17de eeuw komt de pest in Brugge niet meer voor, maar in de 19de eeuw steekt een andere vreselijke ziekte de kop op: de cholera. Het is een ziekte, die bevorderd wordt door gebrek aan hygiëne en vooral een ziekte van de arme buurten (denk maar aan de situatie in de werkmansforten). Zie de webpagina in het menu "Oostmeers, het werkmansfort Verstraete tot 1886" of klik hier om direct op de webpagina te komen.

Pas in 1884 vond Robert Koch de cholerabacil die de ziekte veroorzaakte. Ondertussen hebben vijf golven van epidemieën Brugge geteisterd. In 1832 kwam voor het eerst in Brugge een cholera epidemie voor. Na die eerste epidemie flakkerde de ziekte ook op in 1849, 1854, 1859 en 1866. Die laatste was vooral verwoestend met ongeveer 1500 besmettingen en 780 doden.

In 1832 richtte de pastoor-deken van de Sint-Salvator parochie E.H. Frans Corselis (1767-1853) de broederschap van de H.Macharius op. In die tijd viel Brugge nog onder het grote bisdom Gent, waar de H.Macharius een grote verering genoot. Sinds 1830 was de cholera al aanwezig in Europa en in 1832 bereikte de ziekte onze streken en de mensen hadden angst. In tijden van angst zochten de mensen een houvast bij het aloude middel om hulp af te smeken van de heilige van dienst : in dit geval: de H.Macharius tegen de besmettelijke ziekte waarvoor geen geneesmiddel bestond.

Corselis Frans Thomas (1767-1853)

Corselis was een zeer actieve geestelijke en behoorde tot de ultramontane strekking zoals Guido Gezelle. In 1815 kwam er een nieuwe grondwet die door de de toenmalige bisschop van Gent de Broglie radicaal werd afgewezen. In die periode zijn West-Vlaanderen en Oost-Vlaanderen nog in 1 bisdom verenigd met bisschopszetel te Gent.

De deken van Brugge en pastoor van de O.L.V. parochie E.H. Buydens was wel regeringsgezind en voor het aanvaarden van de nieuwe grondwet. Bisschop de Broglie benoemde Corselis tot deken van Brugge in plaats van Buydens. Na het concordaat met Napoleon in 1801 kon de regering de benoeming van pastoors weigeren. De regering maakte daarvan gebruik om de benoeming van Corselis als pastoor opnieuw te onderzoeken. Corselis had zich immers onmogelijk gemaakt wegens zijn houding tegenover de grondwettelijke eed. De burgemeester van Brugge baron de Croeser schorste Corselis tenslotte als pastoor en ontzegde hem de toegang tot de Sint-Salvatorkathedraal en moest hij zijn pastorij ontruimen. Maar E.H. Corselis weigerde en omwille van zijn populariteit durfden de autoriteiten niets te ondernemen.

Na de dood van de Broglie in 1821 werden de plooien tussen de regering en het bisdom glad gestreken. Corselis werd opnieuw in zijn functie hersteld . Jan-Frans Van de Velde (1779-1838) werd toen bisschop . In 1834 werd het bisdom West-Vlaanderen weer ingericht als een aparte bisdom met Frans-René Bousson als bisschop. Corselis kreeg al in 1833 de functie van vicaris-generaal van Van de Velde. Hij werd als deken van Brugge opgevolgd door de vicaris generaal J.B. Pollin.

Het bewind van Willem I zorgde voor een grote vooruitgang in de armenzorg en in de onderwijssector. Vanaf zijn aanstelling als deken organiseerde Corselis op de Sint-Salvatorparochie een wijkwerking ten behoeve van de armen. Elke wijk had een wijkverantwoordelijke die de armen van hun toebedeelde wijk bezochten en ondersteunden. Hij verzamelde bij de rijken fondsen waarmee hij bedèlingen verzorgde van pensioenen, brood en hout. Vanaf 1821 steunde hij ook het Bureel van Weldadigheid en werd hij er aandeelhouder van en werd later in het bestuur opgenomen. De oprichting van de broederschap van de H.Macharius ten eijde van de cholera-epidemie paste in zijn visie.

 

 

Ter gelegenheid van de instelling van de broederschap werd een brochure uitgegeven met onder andere een overzicht van het leven van de H.Macharius en het reglement van de Broederschap.

De leden verbonden zich ertoe om regelmatig mee te werken aan religieuze activiteiten onder ander het bijwonen van missen en op eerste zondag deelnemen aan het lof en de processie met het schrijn. Dit gebeurde ook op 10 april, de feestdag van de heilige en op 19 juli, de verjaardag van de instelling van de broederschap ten tijde van de cholera epidemie.

De diensten vonden plaats in de Sacramentskapel van de Sint-Salvatorskerk.

 

De broederschap heeft ook een eigen nu nog bestaand processievaandel in 1907(gonfalon) laten maken, waarschijnlijk op basis van een ouder exemplaar. Het had bovenaan de letters S en M : Sint-Macharius. In het midden was er een ovaal geschilderd medaillon waarschijnlijk afkomstig van een ouder vaandel. Het stelt de H.Macharius voor in bisschoppelijk ornaat bij het verzorgen van de choleralijders rechts in het beeld . Op de achtergrond is de toren van de Sint-Salvatorskerke te zien.

De pastoor van de Sint-Salvatorskerk was de voorzitter en tevens de proost van de broederschap . Hij werd bijgestaan door een bestuur bestaande uit 4 hoofdmannen en uit 12 zorgers. Om de 3 jaar werd het bestuur herkozen.

De broederschap wilde ook ter eeuwige gedachtenis de devotie voor de H.Macharius in het straatbeeld brengen. Ze diende daarvoor een bouwaanvraag in (zie bouwaanvraag hieronder).

 

De Broederschap vroeg om deze nis in marmer en graniet te plaatsen tegen de muur van de hof van het het huis van C9-52 (zie kadasterkaart hieronder) in de Oostmeers toebehorende aan de heer Denis Van Halme . Denis van Halme (geboren in 1773 en gestorven in 1850). Hij was blauwverver, ook blauwdrukker genoemd (zijn blauwververij was gevestigd in de Katelijnestraat). Hij was getrouwd met Catherine Coucke (geboren in 1775 en gestorven voor 1846). Zij hadden een zoon Dionysius Van Halme die een priester geworden is en pastoor in Snellegem.

Was hij lid van de broederschap?

Waar ligt het huis met oostenrijks huisnummer C9-52? (zie hieronder)

 

Hiernaast de kadasterkaart uit 1835.

C9-52 is het oostenrijks huisnr van het perceel met kadasternr C-1124 in de Oostmeers (zie het omcirkelde perceel, niet ver van de Zonnekemeers (rue du soleil)

Op deze site kwam de latere stichting Capron-De Zutter en de Germana van de Oostmeers. Nog later zal daar de Sint-Jansverpleegsters-school in 1963 gebouwd worden (zie in de menu de webpagina "Oud Sint-Jan, Sint-Janverpleegstersschool, Oostmeers 27, bouwgeschiedenis" of klik hier om direct op de webpagina te komen

Denis van Halme (ook soms verkeerdelijk Van Holme geschreven) was eigenaar geworden van C9-52 door erfenis in 1820 van zijn nicht Marie Van Halme, die op haar buurt samen met haar zus Joanna het pand C9-52 gekocht hadden in 1785 van de familie Legillon.

Denis Van Halme verkocht het pand C9-52 op 15 december 1835 aan Louis Capron, onderpastoor van de Sint-Jacobsparochie, volgens akte verleden voor notaris Claerhoudt.

De bouwaanvraag voor het plaatsen van de nis tegen de muur van de hof van Denis Van Halme werd op 28 februari 1834 goedgekeurd dus toen Van Halme Denis nog eigenaar was.Het is redelijk aan te nemen dat de nis zou gebouwd worden aan de straatzijde van die muur.

Maar op 7 mei 1834 sluiten de broederschap en Joannes (Jan) Piesens een overeenkomst om de nis te plaatsen in de gevel van zijn woning in de Oostmeers met oosternrijks huisnr C8 -28 (in de overeenkomst staat Westmeers maar dat is foutief: een dergelijke vergissing komt in andere documenten ook nog voor, waarschijnlijk omdat beide straten in het frans "rue du marais" genoemd werden, de Oostmeers weliswaar "grande rue du marais")
Waar ligt het huis nr C8-28? Zie kadasterkaart uit 1811 hieronder

 

Links bevindt zich de Oostmeers, bovenaan de Zonnekemeers. C8-28 komt overeen met het omcirkelde perceel met kadasternr C-1007. De nis zou geplaatst worden aan de straatkant van de muur van de hof.

In 1834 behoorde het perceel aan Jan Piesens. Jan Piesens (°1774,+1843) was fabrikant en handelaar in lijnwaad. Hij was getrouwd met Marie Thérèse Vandenborre. Ze hadden een zoon Pieter Antoon Piesens (°1808,+1858), die priester werd.

 

 

Wat deed de broederschap van gedacht veranderen tussen 24 februari en 7 mei 1834 om de nis te bouwen niet in de Oostmeers C9-52 bij Van Halme Denis maar wel in de Oostmeers C8-28 bij Piesens Jan?

Misschien waren de voorwaarden voor het plaatsen van de nis voor Van Halme minder aanvaardbaar. Welke waren de voorwaarden ?

Uitreksel uit de overeenkomst van 7 mei 1834 (omgezet naar huidig nederlands)

Jan Piesens wordt door de leden van de broederschap verzocht om te gedogen dat in de muur van zijn huis nr C8-28 aan de straatkant een nis in marmer en graniet opgericht wordt om er het beeld van de H. Macharius te plaatsen met verdere versiering volgens plan goedgekeurd door de bisschop van Brugge. Hij verklaart verheugd te zijn wegens de uitstekende ijver van de broederschap en geeft zijn volledige toestemming aan het voorvermelde verzoek die hemzelf, zijn erfgenamen en al zijn nakomelingen bindt onder de volgende voorwaarden:

1.De bovenvermelde nis mag daar geplaatst door de broederschap op hun kosten.
2. De broederschap zal de muur boven en onder de nis, ter breedte van de nis, blijven onderhouden.
3. De nis wordt erkend als wezenlijk eigendom van de broederschap. Indien de broederschap zou ophouden te bestaan of uit elkaar gaan zal de nis eigendom worden van de kerk van Sint-Salvator.
4. De broederschap of de kerk zal nooit enige contributies of lasten moeten dragen wegens de hiervoor geschrevene eigendom, tenzij het beschrevene in punt 2
5. Hij en zijn erfgenamen en nakomelingen verbinden er zich toe nooit in het voorgenoemd domein een herberg houden of laten houden of er drank verkopen ten einde de devotie voor de H.Macharius niet te laten verflauwen of verachten.
6. Tenslotte verbinden hijzelf, zijn erfgenamen en nakomers zich ertoe de nis ongehinderd te laten staan , onder voorbehoud dat bij verbouwingen de nis mag verschoven of verplaatst worden op hun kosten. Die verschuiving of verplaatsing mag echter niet gebeuren buiten de breedte van de hiervoor vermelde muur langs de straatkant van de Oostmeers.

Het kon ook zijn dat Denis Van Halme in 1834 de kans zag om zijn eigendom in de Oostmeers te verkopen en dat hij of de toekomstige koper het niet zag zitten om in de muur aan de straatkant een nis te laten bouwen die een mogelijk verkoop zou verhinderen. Inderdaad werd zoals hierboven vermeld de eigendom C9-52 verkocht aan E.H. Capron in december 1835. E.H. Capron verkocht echter meteen de helft van het domein door aan Eugène Perré- Chevalier Ursula op 15 december 1836. Eugène Perré kreeg in februari 1836 een bouwvergunning om een deur te steken in muur langs de Oostmeers.

Blijkbaar is het plan niet uitgevoerd want bij een bouwaanvraag door E.H. Capron in 1844 zag de toestand voor 1844 er uit als volgt:

De reden voor het niet uitvoeren van het plan van Eugène Perré blijkt uit het feit dat zijn helft van het domein in 1837 terug gekocht werd door E.H. Capron.

Zoals later bleek bij de troebelen tijdens schoolstrijd van 1879-1884 zou E.H. Capron niet de echte eigenaar zijn aangezien het pand werd betaald met aalmoezen en het geld afkomstig van van de "catéchisme van de armen". Zou dat de reden zijn waarom de nis niet gebouwd werd in de muur van C9-52 omdat Van Halme , E.H. Capron en Perré eigenlijk geen verbintenis konden geven voor de gevraagde voorwaarden van de broederschap?

Dus werd de nis gebouwd in de Oostmeers C8-28 en wel met de volgende tekst:

We vonden tot nog toe wel geen bouwvergunning in het stadsarchief voor de inbouw van de nis in de tuinmuur van Jan Piesens, maar we weten dat het beeld van de H.Macharius geplaatst werd op 9 mei 1834. Omwille van de overeenkomst met Jan Piesens op 7mei 1834 mogen we aannemen dat de plaatsing in tekst van de muur kapel betrekking heeft op de plaatsing in de tuinmuur van Piesens. Daar er maar 2 dagen tussen liggen, zullen de werkzaamheden wel enig tijd voor de overeenkomst begonnen zijn. We weten ook uit de overeenkomst dat de broederschap de bouwheer en de eigenaar is.

Wat is het verdere verloop van de H.Macharius in zijn nis.
Hebben Jan Piesens,en zijn nakomers de voorwaarden van de overeenkomst geëerbiedigd?

Hieronder links de huidige kadasterkaart en rechts de kadaster uit 1835, beide gefocust op het kadastraal nr C-1007, de Oostmeers bevindt zich links. We stellen vast dat de nis met het standbeeld, die zich in 1835 in het midden van de tuinmuur kant Oostmeers bevindt, zich nu ongeveer op dezelfde plaats bevindt. Dat is nu tussen de 2 gevels van nr 47 en nr 49, die ondertussen op het erf van Van Halme gebouwd zijn. De opeenvolgende eigenaars hebben zich aan de voorwaarde nr 6 van de overeenkomst uit 1834 gehouden

Wie zijn die opeenvolgende eigenaars?

Piesens Jan sterft in 1843 en de eigendom gaat over naar de zoon
Piesens Pieter Antoon, die pastoor van Snellegem werd. Hij was eigenaar tot 1863, dan
werd Piesens Clemencia Cathérine , zus van Pieter Antoon en weduwe van Benninck Jacobus, zilversmid, eigenares tot 1882.

Rond 1882 wordt de tuin C-1007d bebouwd met een woning C-1007f. (zie kadastraal plan hieronder uit het "kadasterarchief 1882"). De nis van de Sint-Salvatorskerk moet dus weer ingebouwd zijn op zijn vroegere plaats in het midden van de gevel van woning. Het onderhoud van de muur boven en onder de nis door de broederschap zal wel vanaf dan niet meer doorgegaan zijn.

Daarna ging het betrokken pand over naar de brouwersfamilie Benninck-Cauwe

- Bennink-Piesens Clemencia Cathérine en kinderen waren gezamenlijk eigenaars tot 1890 ,
- Benninck Clemencia Marie Clotilde, weduwe van Karel De Vos, advocaat, was kort eigenares rond 1890,
- Cauwe Justin, brouwer, getrouwd met Marie Lucie Cathérine Benninck waren beide eigenaars tot 1893
- Cauwe-Benninck weduwe en kinderen namen de eigendom over tot 1913

Rond 1932 werd de woning gesplitst in een tweewoonst C-1007m en C-1007l en de nis was nu in het midden van de gezamelijke gevel geplaatst geworden. Zie kadastraal plan (Kadaster Archief 1932) hieronder.
Merk op dat op het plan alleen de woningen in de vroegere tuin van Jan Piesens zijn afgebeeld en niet de 2 rechtse woningen op de plaats van zijn vroegere woning .

Cauwe- Wouters Stefaan, brouwer en de weduwe Marie Cauwe- Benninck bleven eigenaars tot 1932.
De families Piesens-Benninck-Cauwe hebben al die tijd de voorwaarden van de overeenkomst tussen Denis Piesens en de broederschap in ere gehouden.

Van dan af gingen de panden over naar verschillende niet verbonden families:

de laatst gekende eigenaars in het kadasterarchief waren:
- Vanden Bussche Leon , beenhouwer nr 49 C1007l tot 1970
- Moerman Frank.L. nr 47 C-1007s tot 1991
- Expeels Dorine nr 47 C-1007s tot ?
- Cornelissis-Delcloo , onderofficier nr 47 C-1007s tot 2004

Ook die bewoners respecteerden de nis met de H.Macharius. De woningen nr 47 en nr 49 ondergingen wel nog veranderingen maar dit had geen invloed meer op de plaatsing van de nis. We mogen dus aannemen dat de nis met het beeld van de H.Macharius zich nagenoeg op dezelfde plaats bevindt als bij de oprichting in 1834.

Bouwaanvraag in 1948 van Vandenbussche L. voor het aanbrengen van een winkelpui voor zijn beenhouwerij.

 

De bouwaanvraag in 1989 van Moerman Frank voor het veranderen van de voordeur en venster verdeling gelijkvloers van het huis nr 47 , C-1007s met op het plan de halve muurkapel met het beeld van de H.Macharius

In 1993 vroeg Dorine Expeels een vergunninng voor het reinigen van de gevel van de Oostmeers nr 47 C-1007s. zie foto hieronder uit 2006 (beeldbank Brugge)

Restauratie van de nis met beeld

Hieronder ziet u links de muurkapel voor de restauratie in 1990 (foto beeldbank brugge)en rechts na de restauratie (foto Jean-Luc Meulemeester).

De muurkapel was dringend aan restauratie toe. In 1988 nam het Comité Brugge-Mariastad vzw het initiatief daartoe. De financiering gebeurde via de Koning Boudewijn stichting. Ook het Brugs stadsbestuur gaf steun. In 1990 had de eigenlijke restauratie plaats.

- Het houten beeld werd verhard, hersteld, en herschilderd en de ornamenten werden opnieuw met bladgoud belegd.
- De muurkapel zelf werd onderhanden genomen, de blauwe hardsteen en de 4 "hoekdiamanten" werden gereinigd, het H.drievuldigheidssymbool en stralenbundel werden ook met bladgoud belegd.
- De tekst werd herkapt en verguld.
- De kippengaasafsluiting werd vervangen door een glazen deurtje met slot.
- De 2 armkandelaars werden ontroest en herschilderd.

(uitreksel uit het boekje "H.Macharius en Brugge" van Jean-Luc Meulemeester)

Ondertussen is de tekst onder het beeld minder leesbaar geworden en een reiniging of herkapping dringt zich op .

Opmerking :

We stellen vast dat de families betrokken bij ons verhaal over de H. Macharius ook betrokken waren bij enkele werkmansfortjes in de Oostmeers en Westmeers.
We geven hier een zeer kort overzicht van deze betrokken families. We zullen later de geschiedenis van deze fortjes uit de doeken doen op onze website.

- Het fort Macharius: Oostmeers C-1594, het perceel was eigendom in 1835 van Austin Dury-Van Steelant. Dit fort, gebouwd in 1841, werd samen gevoegd met het naastliggend fort de Grote poorte C-1593 Oostmeers C7-33 ook eigendom van de familie Dury. De familie Dury heeft voor zover we tot nog toe konden nagaan geen verband met de familie Piesens-Benninck-Cauwe, maar dit fort lag naast het fort Benninck en de latere mouterij Cauwe. Wellicht ligt daar de grond voor de naamgeving.

- Het fort Benninck Oostmeers nr C7-38, Kadastraal nr C-1598. Het snel variërend eigenaarsschap van dit fort loopt parallel met dat van de panden Oostmeers nr 47 en 49 met dezelfde namen:

Jan Piesens werd in 1830 eigenaar. Na zijn dood in 1843 ging het pand naar zijn zoon Pieter Piesens en dan naar zijn zus Clemence Piesens, vrouw van zilversmid Benninck Jacobus, vandaar naar hun zoon Jozef Benninck terug naar Clemence Cathérine Piesens dan naar Devos Karel, getrouwd met Clémence Marie Clothilde Benninck dan naar Justin Cauwe, brouwer en mouthandelaar, getrouwd met Benninck Marie Lucie Carhérine. Hij liet het werkmansfort slopen en vestigde er een mouterij.

Dit fort werd blijkbaar goed onderhouden want het wordt nergens vernoemd in negatieve zin. Dat mochten we ook verwachten van een familie die er een devotie van de H.Macharius op na hield.

- Het Fort Piesens (ook fort Meese genoemd) Westmeers C7-66 tot C7-70, kadasternr C-1539, nu nr 93-113, :gebouwd in 1826.

Vóór 1850 kwam dit in handen van de zussen Coleta en Francisca Piesens. Coleta (°1795)en Francisca (°1802) waren dochters van Jacobus Spiesens (°1758)en Maria De Soutter (°1761). Dan ging de eigendom over naar Jacobus Franciscus Piesens(°1798) -Julia Taffin (°1797), dan naar zoon Theofiel Piesens (°1834) en vervolgens naar Mathilde (°1828)en Coralie Piesens(°1830). Zij waren de dochters van Jacobus Piesens en Julia Taffin. Jacobus Franciscus was de zoon van Franciscus Piesens die getrouwd was met Régine Verkercke. De weduwe Brendonck, bakkerin, werd dan eigenares die het pand verkocht aan Willem Meese-Walleyn.

Het moge duidelijk zijn dat deze "Jacobus Piesens familie" niets uitstaans heeft met de "Jan Piesens familie" die ons heeft bezig gehouden in verband met de muurkapel van de H.Macharius. We zijn terug gegaan tot half 18de eeuw en hebben tot dan geen verband tussen de 2 families gevonden. Het fort Piesens -Meese had geen al te goede reputatie.

- Het fort de Rozenhoed: Oostmeers C7/1/1-4, kadasternr C-1494/C-1497 nu nr . In 1835 was het fortje eigendom van Denis Van Halme en werd bij erfenis in 1862 eigendom van Dionysius Van Halme , zoon van Denis van Halme en pastoor van Snellegem. In 1870 werddt Giuillelmus Müller eigenaar.

 

We eindigen deze webpagina met een uitreksel uit een artikel van het jaar 2002 op de website van de meersenbuurt www.demeersen.brugsebuurten.be : "de Meersen 80 jaar geleden.

Het gaat om een deel uit de wandeling langs de straten in de Meersenbuurt en meer bepaald het deel tussen het patronaat van de Germana (de huidige Peda HIP) en de cafés naast de beenhouwerij met de muurkapel van de H.Macharius in de gevel.

 

Bronnen:

- Archief kadaster
- Stadsarchief Brugge
- Rijksarchief brugge
- beeldbank Brugge
- Archiefbank Brugge
--Kaart en Huis Brugge
- Jean-Luc Meulemeester: H. Macharius en Brugge
- Uit de wereld der Brugse mensen : Guillaume Michiels
- De huisvesting van het proletariaat in Brugge in het 19de eeuwse Brugge: Jaak Rau (Brugs Ommeland 1996/1-4)
- www.demeersen.brugsebuurten.be