ll
Het werkmansbeluik "Verstraete" in de Oostmeers tot 1886

De oudste weergave van het gebied dat we in deze webpagina bespreken is de kaart van Marcus Gerards uit 1562 . Deze kaart is over 't algemeen een getrouwe weergave van de toenmalige situatie, behalve enkele vervormingen. In deze webpagina vertellen we de geschiedenis van de oostelijke "Hoek Goezeputstraat en Oostmeers"

Onderaan is de ietwat overdreven boog te zien van de Oostmeers ( ook Grote Meers, Grande rue du Marais, Rue Est du Marais genoemd)

linksonder een deel van de Goezeputstraat (ook de lange Heilige Geeststraet, rue de Saint-Esprit, rue Puit aux Oies genoemd).

onder links op de hoek met de Goezeputstraat bevond zich het klooster en de kapel van de zusters conceptionisten of urbanisten, op de plaats van het voormalige Heilige Geesthospitaal.

In die Hoek onderscheiden we ruwweg 3 gedeelten:

1. De hoekhuizen aan de Goezeputstraat en het latere werkmansbeluik "Verstraete" is het eerste deel dat we bespreken. Dit deel ligt ten westen van de kapel van het voormalig klooster der conceptionisten: er zijn in 1580 4 huizen in de Goezeputstraat tot aan de hoek en verder enkele huizen in de Oostmeers tot aan doorgang naar het Sint-Janshospitaal. De doorgang zelf was gemeenschappelijk bezit van de aanpalenden.

De kaarsenfabriek "Verstraete" is het tweede deel. Het loopt vanaf de doorgang rechts en bevat de 2 huizen en muur. Dit deel bespreken we later op een afzonderijke webpagina.

Het godshuis Spycket rechts van de kaarsenfabriek is het derde deel. Dit godshuis is niet te verwarren met het godshuis Wouters of Sint-Jozef, dat iets verder in de Oostmeers ligt en verplaatst werd naar de Nieuwe Gentweg om plaats te maken voor de Kraamkliniek rond 1910. Ook dit deel bespreken we later in een afzonderlijke webpagina

Deel 1: De hoekhuizen Goezeputstraat en Oostmeers en het werkmansbeluik "Verstraete"
Om de bouwgeschiedenis van deel 1 te volgen vertrekken we van de oudste kadasterkaart uit 1811. (zie hieronder)

 

De hoek bestaat hoofdzakelijk uit percelen met kadastraal nr C-1139 met ten oosten rechts, de buurpercelen nr C-1140, C-1141, C-1138 . Ten westen, links, ligt de Oostmeers en ten noorden, boven, de Goezeputstraat.
Ten zuiden, onder, ligt de nu nog bestaande doorgang C-1137, zoals ook al getekend in de kaart van Marcus Gerards.

Die buurpercelen C-1140, C-1141 en verder komen voort uit de verkaveling van het klooster der zusters Conceptionisten (ook Urbanisten genoemd). De contemplatieve orde werd onder de Oostenrijkse keizer Jozef II opgeheven. In 1788 verlieten de zusters het klooster, hun domein werd verkaveld en de gebouwen werden gesloopt.

Zie plan van het klooster hieronder (getekend door Jacob Gaillard in 1833 naar de toestand rond 1780), bemerk: wel het noorden is naar onder gericht. Onderaan bevindt zich de (grote) H.Geeststraat (nu de Goezeputstraat) en de straat leidend naar de Sint-Salvatorkathedraal is de kleine H.Geeststraat.
Boven rechts bevindt zich het uiteinde van de doorgang naar het Sint-Janshospitaal C-1137 : met als naam "allée commune" of ook "de verloren arbeyd" naar de naam van een café uit 1698 aan de kant van die doorgang waar later de wasblekerij van Verstraete opgericht werd.
Hieronder een deeltje van een artikel over "de Meersch" uit de krant 't Jaar 30 ' van 1 juli 1865.

Vanuit de ligging van de doorgang als referentie op de kaart kunnen de verkavelde buurpercelen gesitueerd worden. De doorgang C-1137 zal ook in de latere geschiedenis van onze Hoek een bijzondere rol spelen (wordt besproken samen met de kaarsenfabriek).
(Alhoewel zeer interessant gaan we hier niet meer verder in op de geschiedenis van de zusters conceptionisten en de evolutie van dit domein. Dit zal deel uitmaken van een latere studie samen met de geschiedenis van het H.Geest hospitaal )

 

De kadasternrs zoals C-1139 werden pas in 1835 vastgelegd, de kaart uit 1811 moet dus terugwerkend ingevuld zijn. Vóór 1835 gebruikte men als perceelnr het sestendeel (hier OLV) met een nummer van het blad (folio) waarop het perceel is beschreven.

Het perceel C-1139 bestond uit
- de oude perceelnrs OLV/758, 757, 756, 755 in de huidige Goezeputstraat (voorheen de lange H.Geeststraat) en
- uit de perceelnrs OLV/542 en 543 in de Oostmeers

(bemerk wel dat de nummering nr OLV/758 begint op de hoek en verder in de Lange Heilige Geeststraat afloopt terwijl OLV/542 begint op de hoek en verder in de Oostmeers oploopt)

Via het huizenonderzoek van de stad Brugge kunnen we opmaken dat de huizen OLV/755, en 756 afgebroken werden en als erf bij OLV/757 gevoegd werden rond 1600. In 1629 werd het samengevoegd huis verkocht aan Frans vande Voorde.

Het eengemaakte huis OLV/542 en OLV/543 langs de Oostmeers behoorden beide sinds 1607 toe aan de familie Vande Voorde. Het werd in 1629 verder uitgebreid door de aankoop van het eengemaakte huis OLV/757 (zie hierboven). In 1706 werd het ganse complex tenslotte verkocht aan Jacques de Schietere de Damhouder, heer van Tillegem. In 1798 kocht Jacques Moke dit eengemaakt huis in een openbare veiling . Jacques Moke brandewijnstoker van beroep, bouwde op het domein een brandewijnstokerij uit.

De hierboven besproken percelen waren nu verenigd in het kadasternr C-1139.

Tijdens de Franse bezetting zijn er minder gegevens gekend. Pas in 1835 zijn de nieuwe kadastrale leggers gestart met de aanduiding van de eigenaars en de wijzigingen in hun eigendommen. Wel vinden we verder informatie uit de notaris akten.

Via notaris Debusschere werd, in een openbare veiling in 1818, Willem Pieter Van Strate eigenaar van dit ganse complex. Het was dezelfde Willem Pieter Van Strate die we al tegenkwamen in de beschrijving van het Wevershof. Hij was een jeneverstoker. (zie webpagina:" Wevershof, bouwgeschiedenis tot 1900" of klik hier om onmiddellijk op de webpagina te komen.)

Op de kadaster kaart van 1811 (zie kaart hieronder) valt dit ganse complex zoals boven vermeld onder het het kadasternr C-1139, een nummeringsysteem uit 1835. De kadasternrs aangeduid op de kaart moeten dus achteraf ingevuld zijn.

In de veilingverkoop van 1818 werd een gedetailleerde beschrijving gegeven van het totale domein en van de inboedel.
Het deel OLV/757 werd omschreven als een perceel met een huis en een stokerij op de hollandse manier (jeneverstokerij?) inclusief de stokerij-installaties, een paardemolen en stallingen om "64 (!)koeibeesten te stallen". Dit perceel had een poort die uitkwam in de Oostmeers.

Het deel OLV/542 en OLV/543 werd omschreven als een koer met stallen, remises (koetshuizen of schuren), hovingen en verdere aanhangsels en met een toegang naar een gemene uitweg (passage C-1137) die naar de Oostmeers liep.
Er was op dat moment dus geen sprake van werkmanshuisjes.
In een notariële akte uit 1853 werd wel vermeld dat Willem Van Strate die percelen na 1818 ten dele bebouwde (zie verder).

We besluiten daaruit dat Willem Pieter Van Strate degene is die het perceel OLV/542 en 543 verkavelde en de bouwheer is van de huisjes van het fort "Verstraete". De naam "Verstraete" zou dan een verschrijving kunnen zijn voor "Van Strate" (zoals bij het Wevershof gebeurde) . De naam "Verstraete" werd pas in 1870 officiëel in een krant vermeld. Wellicht was de naam "Verstraete" al informeel gebruikt, waarbij de verwarring met de naam "Van Strate" bleef. We hebben dezelfde situatie gehad met de naam "Wevershof"

In 1819 werd Willem Pieter vermeld als stoker in de Oostmeers (Grande rue du Marais nr 1, franse nummering)). Maar in de kadastrale legger van 1835 wordt alleen een huis en plaats vermeld. Blijkbaar was de stokerij gestopt tussen 1819 en 1834 (misschien al voor de dood van Willem Pieter in 1832, maar waarschijnlijk al kort na de aankoop). De voorwaarden voor de stokerij gesteld bij de koop in 1818 legden ernstige beperkingen op aan de exploitatie. In geen geval mocht de stokerij de kaarsenmakerij van de buur Verstraete hinderen. Dit kan ook een reden zijn voor het stoppen van de stokerij. Het kan ook zijn dat de zoon Louis van Strate de stokerij voortzette tot 1834, maar weinig waarschijnlijk. . Willem Van Strate werd immers in 1827 benoemd als vrederechter in Gistel, waar hij ging wonen in de Hoogstraat.

Wellicht is in die periode ook de idee ontstaan om eerder een rendement te halen uit de verhuur van werkmanshuisjes. Door mislukte oogsten in die tijd op het platte land kwamen veel mensen naar de stad wonen in de hoop werk te vinden. Er ontstond nood aan betaalbare woningen. Eigenaars die open stukken grond bezaten in de stad Brugge zagen de kans om die nood te lenigen en zelf een cent bij te verdienen door hun grond te verkavelen en er goedkope huisjes te bouwen. Zo ook Willem Pieter Van Strate.

Die verkaveling is wel in fases ontstaan. Het gebouw gekleurd in het rood en waarvan de aflijning werd uitgestreept op de kaart van 1811, was waarschijnlijk de koer met stallingen en aanhangsels met een "hovinge" die achteraan rechts naar het noorden breed overliep in de tuin van het perceel OLV/757. Blijkbaar werd die koer op een latere datum overtekend met de werkmanshuisjes, want in 1818 bestonden die huisjes nog niet en dus zeker in 1811 niet..

 

We kunnen dit vergelijken met een grondplan van het terrein van het Sint-Janshospitaal van rond 1830 (zie hieronder plan: rechtsbovenaan)

 

De overtekening op het kadasterplan van 1811 toont de eerste verkaveling en verbouwing, bestaand uit een perceel C-1139 achteraan ("jardin", tuin of stallingen ) zonder indice en een verkaveling van kleine huisjes C-1139a tem C-1139p, die overeenkomen met het perceel met voormalige nummering OLV/542/543. De 2 grotere percelen 1139q en 1139r langs de Goezeputstraat, die overeenkomen resp met het eengemaakte pand OLV/577 en OLV/578, maken geen deel uit van het fort. Van die verkaveling is geen bouwvergunning te vinden, maar die moet ergens tussen 1820 en 1825 hebben plaatsgevonden. Er zijn al deeladressen te vinden in de bevolkingsregisters vanaf 1825 die verwijzen naar het werkmansbeluik. De meeste bewoners waren werkmannen en hun familie. De kadasterkaart van 1831 bevestigt de verkaveling. Willem Pieter Van Strate stierf in 1832.

 

 

Zie detail van de kadasterkaart uit 1831 hiernaast waarin de verkaveling is verwerkt: er is nu een beluik ontstaan rond een koer met een smalle doorgang naar de Oostmeers. Er is geen toegang naar de passage naar Sint-Jan.

De achterkant van het fort aan de oostzijde is nog aangeduid als 1139 en is nog niet verkaveld.

Het kadasterplan van Popp uit 1854 (hieronder) toont de volgende fase van de verkaveling van het perceel C-1139 achteraan het fortje (in 1850 vermeld in de kadastrale legger, dus waarschijnlijk gebouwd rond 1849). Na de dood van Willem Pieter in 1832 was zijn vrouw Anne Bouvy eigenares geworden van het ganse domein. Tijdens haar eigenaarschap ontstonden er achteraan 5 extra huisjes 1139 a tem 1139e (zie de nieuwe situatie in het kadasterplan Popp 1854 hieronder). Er was nu ook een tweede uitgang via de gemene doorgang C-1137. Er was ook een verbinding met C-1139/16 tussen de huisjes C-1139/11 en 12. De kadasternrs van de bestaande huisjes waren veranderd: ipv letterindices gebruikte men nu cijferindices, geen 1 wel bis en ter en vervolgens nr 4 en volgende. De grote kavels C-1139 q en r worden nu C-1139/16 en 17. In totaal zijn er nu 20 huisjes. Anne Bouvy sterft in 1852 in een ouderengesticht in Menen. Uit de kadastrale legger blijkt dat Anne Bouvy dan de eigenares is van alle huizen op C-1139 en daarnaast nog 23 andere eigendommen verspreid over Brugge en omgeving. Ze was dus zeker niet onbemiddeld.

 

In 1853 was er een openbare veiling door de notaris De Busschere van de goederen van Willem Pieter en Anne Bouvy op verzoek van 3 van hun kinderen: ze kregen elk een derde van de totale opbrengst min de koopsom van de loten uit de veiling die ze zelf kochten.

Willem Van Strate , geboren in 1800, werd beroepsmilitair en bracht het tot kapitein 1e klasse, hij bleef ongehuwd, hij woonde op het einde van zijn carrière nog een tijdje in Brugge in de Eeckhoutstraat maar verhuisde op 10 augustus 1856 naar Brussel. Hij overleed in het huis van zijn zuster in Gistel op 13 maart 1860. Hij heeft niet gewerkt in de stokerij.

Willem kocht in de openbare veiling:
Zonnekemeers C9/36 (C-1108) (het latere koetshuis, maar op dat moment een bakkerij) Oude Gentweg C13/34 (C-517) en
Minderbroederstraat,B15/36 (B-875 )
Hauwerstraat D17/36 (D-1610 )
Sint- Clarastraat E12/1

Anne Francisca Van Strate huwde in 1832 in Gistel met Joannes Bulcke, de gemeentesecretaris van Gistel. (De relatie is te verklaren: Willem Pieter, haar vader, was vrederechter benoemd in Gistel in 1827 en woonde daar in de Hoogstraat , maar bleef ook wonen in de Zonnekemeers in Brugge). Zij overleed enkele maanden na haar broer op 25 oktober 1860 te Gistel.

Joannes Bulcke- Anne Van Strate kochten het huis Steenstraat nr1 (C1/1, C-2)(toen Estaminet "Belle Vue")

Edmond Van Strate werd geboren op 5 augustus 1807 in Brugge. Hij werd priester en doorliep de hele carrière van een priester: o.a onderpastoor in Roesbrugge (1835) en te Staden (1846) en pastoor te Booitshoeke (1856) en uiteindelijk pastoor in Bulskamp (1862) waar hij overleed op 2 oktober 1873.

Edmond kocht
de huizen op de hoek Oostmeer-Goezeputstraat(C-1039/16 en 17) inclusief het werkmansfort (C-1039 a, b, c, d,e en C-1039 1-15)
en Oude Zak D6/36 (D-826)

De andere kinderen die niet betrokken waren in de veiling waren :

Charles Van Strate en twee andere kinderen stierven op jonge leeftijd.

Ludovicus Van Strate werd geboren in 1805. Louis Van Strate kwamen we al tegen in de geschiedenis van het Wevershof (zie het "Wevershof, bouwgeschiedenis tot 1900" of
klik hier om onmiddellijk op de webpagina te komen.

In de kadastrale legger van Louis Van Strate werd hij beschreven als de eigenaar van de stokerij en het erf van het latere Wevershof. Om de een of andere reden verhuisde hij rond 1840 naar Oostkamp om in 1846 terug te keren naar de Zonnekemeers in C9/36 (het latere koetshuis en dan nog eigendom van zijn moeder Anne Bouvy), vandaar week hij in 1851 naar Brussel en in 1856 vertrok hij met gans zijn familie naar Argentinië. In ieder geval werd hij in de bovenstaande verdeling niet betrokken. Hij had in de voorgaande jaren al veel gekregen van zijn moeder om zijn verschillende projecten te financieren. Louis wees in de akte van 1853 Willem, Anne Franciscus en Edmond aan als "uitsluitelijke" begunstigden van de opbrengst van de veiling met een verwijzing naar een akte van verdeling uit 1852 verleden bij notaris Theodore Heyvaert te Gistel.

Rond de jaren 50 van de 19de eeuw breekt er een ernstige cholera epidemie uit, die vooral de Meersenbuurt treft. In 1854 verklaarde het stadsbestuur de forten Wevershof en een fort in de Oostmeers (hoogst waarschijnlijk het fort "Verstraete" dat toen blijkbaar de naam "Verstraete" nog niet had) onbewoonbaar.

Edmondus die dus het ganse domein C-1139 had gekocht werd al dadelijk geconfronteerd met de deerlijke toestand van het fort "Verstraete". Na verbeteringswerken opgelegd volgens een rapport van de stad over de nodige uit te voeren werkzaamheden werden de werkmanshuisjes weer bewoonbaar verklaard. Er moest ook een huisje gesloopt worden voor betere toegang naar de Oostmeers . De stad bleef nu de toestand in de werkmansforten opvolgen en loofde jaarlijks een prijs voor netheid uit.

De epidemie werd op 26 oktober 1854 overwonnen.

Hieronder de kadasterkaart van Popp uit 1865. Er waren geen wijzigingen aan de panden in vergelijking met de kaart uit 1854, wel waren nu de Oostenrijkse huisnrs toegevoegd. Het is eigenaardig dat de nummering van de huisjes van het fort meegaat met het huisnr van de kaarsenmakerij C9/64 en niet met het huisnr van het huis waarbij het fort behoort nl: C9/65: is dat omdat het fort zijn uitgang heeft in de Oostmeers en niet in de Goezeputstraat zoals het huis C9/65 of is het omdat de meeste bewoners van het fort op de kaarsmakerij werken?

 

We zien ook dat de nummering iets gewijzigd is ten opzichte van de kaart van 1854. Er was nu een nieuw huisje tussen C-1139-11 en C-1139-12 met nr 1139-17b.

De grotere huizen langs de Goezeputstraat hadden nu C-1139-17a en C--1139-18 (In een volgende kadastrale legger werd C-1139-16 gebruikt voor dit perceel, daaruit blijkt dat de 18 waarschijnlijk fout was of zeer tijdelijk).

In 1873 vroeg de Commissie van het Sint-Janshospitaal of de heer Edmondus, pastoor van Bulskamp, wilde meehelpen aan het verhogen van de capaciteit van de dienst voor de zieken in het Sint-Janshospitaal. De commissie vroeg daarom om de huisjes die paalden aan hun domein C-1139a, b, c, d te willen verkopen aan hen.

Edmond Van Strate overleed echter kort daarna in 1873

Volgens de kadastrale legger was het pand C-1139-17 in de Goezeputstraat in 1865 uitgesplitst in C-1139-17a (huis en plaats) en b (huisje en plaats, de vroegere doorgang naar C-1139-17).

In het handgeschreven testament van Edmond uit 1870 liet hij al zijn eigendommen inclusief het werkmansfort en de huizen in de Goezeputstraat (C-1139-17a en C-1139-16 na aan de dochter Leopoldine Bulcke van zijn zus Anna Francisca Van Strate (° 1803 Brugge, + 1860 Gistel), de toen enige overlevende afstammeling van de familie Van Strate, op zijn broer Louis Van Strate na. Maar Louis was in 1856 met zijn ganse gezin naar Argentinie uitgeweken, waar tot op de huidige dag afstammelingen Van Strate wonen. De communicatie was toen niet als nu en Edmondus had wellicht geen informatie over zijn broer Louis.

Anna Francisca Van Strate huwde in 1832 met Johannes Baptista Bulcke, gemeentesecretais van Gistel. Ze hadden 2 kinderen: (Eduardus) Julius Bulcke en Leopoldine Bulcke. Leopoldine werd in 1832 in Gistel geboren en huwde in 1870 met Ludovicus (Louis) De Roeck (°1826, Brugge).

In 1874 kon het gezin De Roeck-Bulcke bezit nemen van de geërfde eigendommen. Blijkbaar wou Louis De Roeck in 1875 de onderhandelingen met de commissie van Sint-jan voor de verkoop van de 4 huisjes verder zetten, maar die was niet meer geinteresseerd omdat er dan plannen waren voor nieuwe constructies op het domein zelf van het Sint-Janshospitaal.

De broer van Leopoldine Julius Bulcke vocht de erfenis aan omwille van het feit dat Leopoldine op het ogenblijk van de datum van het testament eigenlijk nog niet getrouwd was, waardoor het testament dat als begunstigde de echtgenote van Louis De Roeck aanduidde, ongeldig zou zijn. Er zou gesjoemeld zijn met de datum. Julius zou in dat geval ook erven. Zijn verzoek werd afgewezen. Dit aangevochten testament is wellicht de aanleiding voor de broer van Edmondus: Louis van Strate om zonder familie en meer dan 70 jaar oud in 1878 terug te keren naar Brugge uit Argentinië en zijn deel van de erfenis te vorderen. Hij stierf evenwel in 1880 in Brugge.

Het Sint-Janshospitaal had toch graag weer de huisjes aan de achterkant van het fort palend aan hun domein gekocht. Maar Louis De Roeck overleed in 1881 te Brugge en Leopoldine Bulcke in 1885 eveneens te Brugge. Het echtpaar is kinderloos gebleven. Daarmee kwamen de eigendommen van Edmondus weer open voor erfenis. Nu kwam een andere afstammeling via Marguerite Van Strate, de zus van Willem Van Strate en de tante van Edmondus, op de proppen: kapitein Emile Adolphe Dordu.

In 1882 worden C-1139-16 en C-1139/17a verkocht aan Vandenberghe- Dereyghere Johannes. In 1886 wordt C-1139/16 in 3 gesplitst 16a, 16b en 16c en C-1139-17a wordt C-1139-17c.

Marguerite Thérèse Van Strate (° 1783 , Brugge +1850, Brugge) was een zus van Willem Pieter Van Strate en tante van Edmondus. Marguerite huwde in 1804 met François Dordu (° 1780 , Sint-Winoksbergen, Noord frankrijk, + 1839 , Brugge). Ze gaan wonen in de Zonnekemeers in Brugge, later in de Eeckhoutstraat (de woning van Bernardus Gilliodts, zoon van Dorothee Sporckman. Dorothee Sporckman, de vrouw van Charles Gilliodts, was de schoonzus van Jan Van Strate, de vader van Willem Van Strate). In 1804 word François Emile Dordu geboren. François Emile huwde met Pauline De Geyter in 1840 in Wervik. Hun eerste zoon Emile Adolphe werd in 1841 geboren in Elsene. In 1858 komen zij in Brugge in de Eeckhoutstraat wonen. Emile Adolphe Dordu, beroepsmilitair, woont in 1881 in Brugge bij de aangifte van de geboorte van zijn zoon.

In 1885 werd op verzoek van kapitein Dordu de bezittingen van Leopoldine Bulcke geveild. Het werkmansfort werd toegewezen aan Albert Verstraete-Declercq, waslichtmaker (kaarsenmaker, ook soms wasbleker genoemd).

Albert Marie Ferdinand Verstraete (° 1846) trouwde in 1872 met Marie Pélagie Declercq (°1843 Moorslede). Zij hadden 11 kinderen.
Albert Jacques Verstraete (°1815- +1885), zijn vader, trouwde met Pélagie Marie Yserbyt (°1811)
Albertus Jacobus Verstraete, zijn grootvader, trouwde met Théresia Janssens

Albert Marie Ferdinand Verstraete-Declercq was eigenaar van de kaarsmakerij op het domein C-1136, ten zuiden van de gemeenschappelijke doorgang.

Albert Verstraete-Declerq zal in 1906 de kaarsenfabriek schenken aan zijn zoon
Josephe Verstraete-Cauwe.

 

Vervolg zie "Oostmeers, van Zondagsschool in 1886 naar Meersenhuis nu" of klik hier om direct op de pagina te komen.